Koninklijk Paleis te Brussel

« Terug naar het overzicht

  • Duur: 1u00

Het Koninklijk Paleis in Brussel opent elke zomer de deuren voor het publiek. Iedereen kan gratis het werkpaleis van Albert II bezoeken. Bezoekers krijgen toegang tot de zalen van het paleis vanaf eind juli tot en met begin september, van 10u30 tot 16u30, op het Paleizenplein van Brussel.


Geschiedenis van het Koninklijk Paleis

Nederlandse periode
Prins Willem VI van Oranje werd na de val van Napoleon uitgeroepen tot koning der Nederlanden; het omvatte zowel de Zuidelijke als de Noordelijke staten. De Staten-Generaal voorzagen in een residentie voor de nieuwe vorst; alleen was het vorige Paleis op de Koudenberg in 1731 volledig afgebrand. De vorst moest tevreden zijn met twee oude woningen: het Di Belgioioso-Huis en het Von Benderhuis. Al snel stond het vast dat er iets ruimers moest worden gevonden en er werd een wedstrijd uitgeschreven. Na een artistieke strijd, bleven twee kandidaten over: Jean Baptiste Vifquin en Louis-Charles Louyet. Architect des Konings Gislain-Joseph Henry begon de bouwwerken maar overleed nog voor de aanvang van de eerste fase (1820). Het werk begon loom en de architecten begonnen onderling te ruziën. Het werd zelfs zo erg dat de nieuwe architect Charles Vander Straeten werd ontslagen. Hij werd vervangen door Tieleman Franciscus Suys. Die stond onder grote druk want de koning werd ongeduldig. Bovendien moesten nog een paar belangrijke zaken worden afgewerkt, met beperkte middelen (zo had de koning laten besparen op alle beeldhouwwerk). Het resultaat was een strenge gevel (1826) die niet zo in de smaak viel bij de burgerij. De binnenkant werd beter ontvangen: Suys mocht daar meer zijn zin doen. Zo werden verschillende zalen vergroot waaronder de empirezaal. Rond 1829 kon de koning eindelijk in zijn paleis vertoeven; dit was van korte duur want in 1830 brak de Belgische Revolutie uit. De koning moest vertrekken - zonder paleis of meubilair.

Belgische periode
Toen koning Leopold I de troon besteeg kon hij beschikken over een gloednieuw paleis. In 1859 werden nieuwe plannen getekend om het paleis wat uit te breiden. Toen de bouw in 1865 opnieuw aanvatte, overleed de eerste koning der Belgen. De jonge Leopold II kreeg van de staat 700.000 francs om zijn woning te verfraaien; een paar salons kregen een nieuwe verflaag en de oude trap van het Di Belgioioso-huis werd heringericht. Opnieuw werd de bouw van het paleis vertraagd maar in 1877 was de eerste fase achter de rug. Echter, het geld was op zodat de voorziene vergulding moest worden uitgesteld. Uit deze tijd stammen de monumentale Eretrap en de Troonzaal waar August Rodin voor de bas-reliëfs zorgde. Leopold voorzag het paleis van bronzen gasluchters versierd met geslepen kristal.
Wel was de oppervlakte van het paleis verdubbeld. De koning kon zich nu bezig houden met de inrichting van het paleis. Tegen het einde van de regering van koning Leopold II werden eveneens werken uitgevoerd aan de te strenge en te sobere voorgevel die uit de Nederlandse Tijd stamde. Omdat Suys inmiddels was overleden, werd Henri Maquet aangesteld. Financiële problemen waren er niet en de bouw kon opnieuw beginnen. De gevel kreeg nu een monumentaal karakter en werd van de straat gescheiden door voortuinen, alles naar de plannen van architect Maquet. De kosten waren aanzienlijk (dertien miljoen goudfranken) en het werk was bovendien niet voltooid toen de koning stierf. Na de voltooiing van de gevel bleef alles bij het oude.
Na de dood van koning Leopold was de Kongo-zaal nog niet voltooid; op de wanden moesten allegorische taferelen komen over de Belgische Kolonie. Na zijn dood besloot koning Albert I om deze oppervlakten te vullen met spiegels; dit werd de spiegelzaal.
De laatste grote wijziging werd op verzoek van koningin Paola uitgevoerd; in de spiegelzaal werd Heaven of Delight vervaardigd door Jan Fabre. Het plafond dat nooit was afgewerkt, werd volledig ingelegd met groene schubben van de exotische Thaise juweelkever. Het duurde ruim drie maanden om de anderhalf miljoen groene schildjes één voor één te bevestigen. Uiteraard was deze aanpassing een probleem voor de Monumentenzorg, aangezien het paleis volledig beschermd patrimonium is. Dankzij een impuls van Jan Hoet, kreeg Jan Fabre uiteindelijk zelfs toestemming om één van de drie grote kroonluchters te transformeren. De vorstin was onder de indruk, en heeft zelf haar eigen initiaal vervaardigd op het plafond. De spiegelzaal wordt nu gebruikt voor grote recepties.

Architectuur
Het paleis wordt gekenmerkt door veel neostijlen waar Leopold een aanhanger van was. Van het oude paleis bleven alleen de zuilengalerij en het balkon bewaard. De straat werd verschoven zodat er plaats was voor een voortuin, bestaande uit drie ingegraven parterres. De gevel die volledig symmetrisch is, werd in het midden bekroond met een groot fronton. Langs de straatzijde zijn er twee erehekken en op de hoeken twee paviljoenen.
Het paleis heeft ook drie binnenplaatsen en aan de achterkant een grote tuin.
De salons zijn gebouwd in functie van de ceremoniële rol. Er is een eetzaal, troonzaal, grote galerij, spiegelzaal en eretrap. Sommige salons zijn intact gebleven zoals de Empiresalon, die een paar jaar geleden gerestaureerd werd. Het merendeel dateert nog van vóór Leopold II. De koning voegde een paar grote zalen toe zodat het paleis niet voor andere grote koninklijke residenties moest onderdoen; hij betaalde alles zelf met geld uit Kongo. Het interieur bevat Frans meubilair geschonken door de schoonouders van koning Leopold I, stukken uit de Oostenrijkse tijd en nog een deel meubels van Napoleon en Willem I. Nadien werd alles aangevuld met stukken uit de koninklijke collectie van Leopold II; hij verkoos meubelen in de eclectische Lodewijk XVI stijl.
Op de eerste verdieping vinden we dan ook veel staatssalons en zalen die verlicht zijn met prachtige luchters, wat toentertijd zeer modern was.

Functie
Hett paleis is geen eigendom van de monarch, maar wordt hem door de staat ter beschikking gesteld om zijn functie te kunnen uitoefenen. Vroeger was het paleis daadwerkelijk persoonlijk eigendom, maar vanwege het ontbreken van een troonopvolger en de ruzie met zijn dochters schonk Leopold II het paleis samen met alle andere goederen aan de staat; de Koninklijke Schenking.
In het paleis zijn de verschillende diensten van de koning en de andere leden van de koninklijke familie gevestigd, onder andere de koninklijke hofhouding. Ook is hier het Koninkijk Archief gevestigd, dat zo'n drie kilometer lopende banden bezit. Iedereen kan het archief raadplegen voor historisch onderzoek.
De koning woont niet in het paleis, maar in het kasteel Belvédère; vroeger had Prins Filip van België hier zijn appartement, tot hij eveneens naar Laken verhuisde.
Bij staatsbezoeken wordt dit paleis ter beschikking van de bezoekende staatshoofden gesteld om te overnachten. Ook worden hier ambassadeurs ontvangen; nieuwjaarsrecepties gehouden, huwelijksbanketten georganiseerd en na zijn overlijden wordt de vorst hier opgebaard in het Salon van de Denker.
Als de vorst in het land is, wordt de vlag gehesen op het middelste paviljoen; is hij in het paleis aanwezig dan staat de Erewacht aan de voorzijde.


Tentoonstelling Feestelijk tafelen: Etiquette in de 19de eeuw
Eliane Van den Ende © Brussel Deze Week

"Schenk nooit bloemen aan de gastvrouw. En als je het toch doet, geef er meteen de vaas bij." Dwaas en dwangmatig zijn gedragsvoorschriften echter niet. Ze beantwoorden aan een logica van wellevendheid, en ze stremmen het egoïsme. In feite stroomlijnen ze het samenleven, hapje per hapje. (Jules-Alexandre Grün, 'Fin de souper', 1913)

'D e wereld heeft zo haar eisen, haar wetten en voorschriften, waarnaar wij ons moeten schikken. Doen we dat niet, dan dreigen we onszelf uit te sluiten." Dat is de openingszin van Le guide des convenances, hét referentiewerk voor savoir-vivre van eind negentiende en een groot deel van de twintigste eeuw.

La vie chez soi et dans le monde, dat soort titels van etiquetteboeken ziet het daglicht door de opkomst van de bourgeoisie. Die nieuwe, economisch sterke klasse heeft nu eenmaal niet altijd savoir-vivre, is wat onhandig in het omgangsleven. Gedragsregels zijn dus een ideale ruggensteun in de maatschappelijke omgang. Net zoals in het geïndustrialiseerde achttiende-eeuwse Engeland de silver spoon novels opduiken om de nieuwe rijken mores te leren: welke lepel, welk mes gebruik je voor welk gerecht? Hoe eet je aardbeien? Oesters? Sop je brood niet in de saus met je vingers. Etiquetteboeken weerspiegelen de sociale mobiliteit en de promotie op de maatschappelijke ladder.


"Opdat gasten zich goed zouden voelen, moesten ze de gedragsregels kennen: hoe je niemand choqueert of schoffeert. Het gaat om het opheffen van het egoïsme. Veel dingen die we nu nog doen," verklaart Werner Adriaenssens, conservator Decoratieve Kunsten bij de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in het Jubelpark, die aan deze zomertentoonstelling in BELvue meewerkte.


"Etiquetteboeken waren voor vrouwen: rijke vrouwen, maar ook voor vrouwen met minder 'faciliteiten'. Voor een alleenstaande dame is het gepermitteerd om schotels uit een restaurant te halen. Huispersoneel kan voor de gelegenheid worden ingehuurd en als mevrouw zelf kookt, dan geen 'frituur', geen sauzen en gerechten die vooraf klaargemaakt kunnen worden."


Kapsels in taartvorm
De rol van de vrouw des huizes was belangrijk. Madame was de baas in huis. Zij leidt alles in goede banen. Het einde van de maaltijd bepaalt zij, en zij is het die de arm van haar eregast neemt om naar salon en fumoir te gaan. Die leidende vrouwenfiguur is de voortrekker van een komende emancipatiegolf. De dame des huizes houdt alles – discreet – in het oog en in het gareel. Ze is ménagère en dus ook manager.

Het gekke is dat er aan de lezeressen van het etiquetteboek le service à la russe werd aangeprezen omdat die manier van opdienen 'plus élégant et plus français' (!) is: iedereen krijgt een eigen gedresseerd bord voorgeschoteld, waardoor er in het midden van de tafel plaats vrijkomt voor een ovaal tafelstuk. Kunstmatige bloemen werden daarbij niet ontzien. Sterk geurende bloemen werden sowieso geweerd omdat een doordringende odeur na een tijdje misselijk maakt. De kleur van de bloemen op tafel werd ook aangepast aan de gebakjes en de bonbons. En dan zeker bij sommige diners de tête, verkleedde themadiners. Eén uitnodiging luidde: 'On sera en devanture de pâtissier', we liggen bij de banketbakker in de vitrine. Aan gasten werd dan gevraagd om kapsels in de vorm van taartjes of gebakjes op te tutten.

Op tafel stonden boutonnières, vaasjes voor de anjers in het knoopsgat van de gasten. Ook de Brusselse zilversmidfamilie Wolfers heeft die zilveren kleinoden gemaakt. Val Saint-Lambert maakte dan weer kleine kristallen asbakjes, verkocht per zes, die naast elk couvert werden gezet.


Morsen verboden
Nadat ze nog even gekeuveld hadden met de dames, trokken mannen zich na de maaltijd (maar vóór de koffie) terug in een fumoir, een aparte rookruimte. In dat fumoir stond een lampe de fumeur, die als permanente aansteker voor de sigaren diende. Op kleine bijzettafeltjes stonden likeuren. Nadien vervoegden de heren de dames in de salon voor de koffie. Het was de vrouw des huizes, geholpen door een vriendin of de dochter, die de koffie uitschonk. 'Un bain de pied', gemors op het onderschoteltje, was 'tout à fait de mauvais genre'. Het eerste kopje ging naar de eregast en de huisdame hield met haar linkerhand het suikerpotje met het suikergrijpertje vast. Aan de dames werd gesuikerde likeur geoffreerd, de heren kregen cognac of rum.

Acht dagen na het diner was het de gewoonte une viste de digestion, een dankbezoekje, af te leggen. "Het is allemaal een kwestie van wellevendheid," zegt levensgenieter Adriaenssens. "Veel dingen zijn vergeten, maar evenzoveel leeft voort. Sommige voorschriften lijken wel de choreografie van een ballet." En vergeet niet: een bord mag je niet schuin houden, zelfs niet voor soep. En een servet nooit helemaal openplooien op je schoot… 't is maar dat u het weet!

Vier historische feesttafels worden deze zomer in het BELvue Museum gereconstrueerd: het huwelijksbanket van prinses Louise in 1897, het diner van de Koloniale Tentoonstelling van Tervuren in 1897, de trendsettende art-decotafel op de Exposition Internationale in 1925 in Parijs, de feesttafel bij de openingsplechtigheid van Expo 58. De belangrijkste kunstvoorwerpen behoren tot het Erfgoedfonds van de Koning Boudewijnstichting. Van 23 juni tot en met 9 september in het BELvue Museum, Paleizenplein 7.

 

Aanvraagformulier